Teresa zegt (2005, Querido)
Teresa Koppe weet niet hoe ze gewond is geraakt. Ze weet niet waar ze zich bevindt. Al vertellend probeert ze de gaten in haar geheugen te dichten, daarbij op de huid gezeten door Quinten- maar wie is die Quinten eigenlijk?
Ze herinnert zich wel hoe ze voor de tweede keer door Sven, aan wie ze haar leven lang verslingerd is, werd verlaten. Net als de eerste keer koos hij opnieuw voor die ander, de lustige Lucia.
Terwijl Teresa zich nu afvraagt in welke ruimte ze is (laboratorium of kliniek) en waarom ze daar lijkt te worden vastgehouden alsof ze iets ernstigs heeft misdaan, ontvouwt de geschiedenis zich, met een verrassend einde. Heeft Teresa wraak genomen?
Pers
Je mag dit intrigerende verhaal best vergelijken met Else Böhler of Meneer Vissers Hellevaart van Vestdijk- vanwege het opgeslotene en geïsoleerde- of Het Chemisch Huwelijk van Goethe of het hilarisch-absurdistische werk van Kafka. Grote namen, maar het is toch Sasja Janssen zelf die ditmaal haar weerbarstige taal, die in haar debuut De kamerling (2001) voor een muurtje zorgde tussen lezer en verhaal, bekleedt met de verleiding van een zwoele danseres.
Koen Eykhout, Dagblad de Limburger, 2005
Wie denkt in een flauwe ontwikkelingsroman terecht te zijn gekomen, wordt terechtgewezen door de bedaarde zinsnedes van Janssen en de opmerkzaamheid van haar protagonist Teresa. Sasja Janssen weet met haar taalgebruik en zinsconstructies een bizarre en toch uiterst herkenbare wereld te tonen. In die wereld springt een jongen voor de trein, wordt een hond vermoord, woont een slagersdochter in een kamer die naar benzine ruikt en verlaat Sven Teresa voor de tweede keer. Vestdijk? Rosenboom? De nieuwe Maarten ’t Hart heet Sasja Janssen.
Margriet van der Linden, BLVD, april 2005
Fragment.
Mijn verhouding met Sven begon op een woensdag in de lente waarop die jongen voor de trein sprong, nog geen honderd meter van Svens huis vandaan. Een hoogbegaafde jongen uit het zuiden van het land, dus niet een van hier. Nadat Sven na vier jaar samenwonen onze verhouding had beëindigd, ook op een schrale dag in april, nam ik geregeld de boemel van Arnhem naar Nijmegen, en wanneer de trein stapvoets voorbij de plaats van de misdaad ging (een zelfmoordenaar is en blijft een moordenaar), vergat ik die jongen, omdat ik gespannen naar het huis van Sven tuurde in de hoop een glimp van hem te kunnen opvangen. Nee, vooral als ik met een man het bed deelde staarde de dode me vanuit de hoogte aan. Met een grote regelmaat zag ik die verschrikte blik alsof ik iets fout deed. ‘Wat het oog ziet, wil er niet meer uit’, zegt een Chinees spreekwoord.
Het huis zag ik soms heel goed (winter), maar Sven zag ik nooit, ook niet in de tijd dat zijn zoontje nog klein was, die treinengek, kleine Luc die ik Lucky Luke noemde.
Meneer Quinten zegt dat toen de wanen zijn begonnen. Ik wil hem best geloven, hoewel dat de ene dag minder goed gaat dan de andere.
Die pakweg drie minuten (heen- en terugreis) waarin we voorbij het stuk land kropen waren natuurlijk veel te kort. Alhoewel dat in vier jaar toch opgelopen is tot een uur of twee reizen langs zijn huis. Na mijn promotie ben ik met die dwaze treinritjes gestopt. Wat had ik beter kunnen doen, zeg ik tegen meneer Quinten. Een paar keer in die jaren, net als die dode jongen ooit deed, uren bij de overweg gaan staan of hopen dat ik meer kans maakte als ik elke maand even voorbij dat huis kwam? Kans op leven bedoel ik dan, begrijp me goed. Hij geeft geen antwoord. Wat is dat voor strategie: iemand maar aan het woord houden?
|